Geschiedenis
1948:
Oprichting van de staat Israël
De
Britten kondigden in februari 1947 aan dat ze het Palestijnse mandaatgebied op
15 mei 1948 zouden verlaten. Ze vroegen aan de Verenigde Naties, de opvolger van
de Volkerenbond, een oplossing uit te werken. Volgens een speciale commissie was
een verdeling van het grondgebied de beste oplossing.
|
|
|
|
|
|
|
|
Het
plan werd op 29 november 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde
Naties goedgekeurd. De 650.000 joden (30 procent van de bevolking) die zich op
dat ogenblik in Palestina bevonden en minder dan tien procent van de grond
bezaten, zouden 55 procent van het gebied krijgen.
Hoewel dat voor sommigen niet genoeg was, aanvaardden de joden de regeling. Een
scharniermoment in de geschiedenis: na bijna 2.000 jaar herrees een nieuwe staat
Israël in het gebied waar ooit David en Salomon heersten. De joden keerden
terug naar ,,het Beloofde Land’’, dat hen door God was gegeven.
Maar dat maakte allemaal weinig indruk op de Palestijnen en de Arabische landen:
zij vonden dat de Arabieren niet de prijs moesten betalen voor de Holocaust in
Europa.
Na de uitroeping van de onafhankelijkheid van Israël viel op 15 mei 1948
ongeveer de hele omliggende Arabische wereld Israël aan. Maar de slecht
georganiseerde aanvallers vormden geen partij voor het joodse leger.
Na de wapenstilstand kon de joodse staat haar winst consolideren: ze had meer
grondgebied veroverd dan in het verdelingsplan van de VN was bepaald.
Op het Israëlische grondgebied woonden nog ongeveer 160.000 Palestijnen, die
het Israëlische staatsburgerschap kregen. Voor de ongeveer 800.000 Palestijnen
die op de vlucht geslagen waren, deed Israël de deur dicht. Daarentegen kregen
alle joden ter wereld het recht naar Israël te emigreren.
1967:
Israël breidt zijn gebied uit
|
|
|
|
Israël
kon rekenen op zijn militaire superioriteit om de Arabische landen in de
kleinere en grotere conflicten van zich af te slaan. In 1967 veroverde de joodse
staat de Sinaïwoestijn en de Gazastrook op Egypte, de Golanhoogvlakte op Syrië,
de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem - met de Klaagmuur - op Jordanië.
Tijdens de Grote Verzoendagoorlog (Jom Kippoer) in oktober 1973 brachten Egypte
en Syrië Israël wel even in de problemen, maar uiteindelijk haalde Israël
toch de bovenhand.
|
|
|
|
|
|
1978:
Sinaï opnieuw naar Egypte
De
Egyptische president Anwar al- Sadat legde zich neer bij de aanwezigheid van de
joodse staat in het Midden-Oosten. In 1978 sloot hij een historisch
vredesverdrag met Israël waardoor Egypte de Sinaï terugkreeg.
Palestijnen
voeren strijd
De
Palestijnen hadden al eerder begrepen dat de Arabische landen niet in staat
waren ,,hun’’ land te heroveren. Zij namen na de Zesdaagse Oorlog van 1967
in toenemende mate zelf de strijd in handen, met guerrilla- aanvallen en
terreuraanslagen over de hele wereld.
Yasser Arafat, sinds 1969 aan hoofd van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie
(PLO), werd het gezicht van de strijd tegen de Israëlische bezetter. Eerst
vanuit Jordanië, later vanuit Libanon bestookte de PLO Israël, dat terugsloeg
op de manier die het het beste kende: met militaire overmacht.
Na een grootschalige invasie in Libanon, in 1982, werd de PLO daar grotendeels
verdreven. Arafat zette de strijd voort vanuit Tunis, maar het besef daagde dat
de Palestijnen de oorlog niet konden winnen. Het doel werd gematigd: een staat
op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook.
EIND
JAREN TACHTIG: De eerste intifada
Eind
jaren tachtig, begin jaren negentig kwam er toenadering tussen beide partijen,
onder meer omdat Israël onder druk kwam te staan van de wereldopinie door de
intifada. De Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook
kwamen in opstand tegen de bezetter, vooral wegens de uitbreiding van de joodse
kolonies in deze gebieden.
Daarnaast schudde Golfoorlog de kaarten door elkaar. Na de Iraakse invasie in
Koeweit in augustus 1989 smeedden de Verenigde Staten een coalitie die heel wat
Arabische landen bevatte. Maar die vroegen ook dat de VS minder eenzijdig Israël
zouden steunen en meer aandacht zouden hebben voor het Palestijnse probleem.
1993:
Oslo I
Aarzelend
kwam een begin van vrede dichterbij. De vredesconferentie van Madrid in oktober
1991 vormde een eerste aanzet.
Onverwacht kwam dan in 1993 na geheime onderhandelingen tussen de Israëlische
regering en de PLO de principe-akkoorden van Oslo uit de bus. De PLO erkende het
bestaansrecht van Israël, het Israëlische leger trok zich gedeeltelijk terug
uit de bezette gebieden, die voor een deel onder Palestijns bestuur kwamen.
2000:
Vredesoverleg mislukt, de tweede intifada volgt
Oslo
was slechts het begin: het was de bedoeling dat de Palestijnen een steeds
grotere autonomie zouden verwerven en dat ondertussen de onderhandelingen tot
een echte Palestijnse staat zouden leiden. Maar het vredesproces verzandde,
onder meer door het onderlinge wantrouwen.
De Israëlische premier Ehud Barak en Yasser Arafat, die ondertussen tot
Palestijnse president was verkozen, zouden in het Amerikaanse Camp David de
impasse in één ultieme onderhandelingsronde oplossen in de zomer van 2000.
Maar het overleg mislukte.
En na het uitbreken van de tweede intifada - de Palestijnse opstand die begon na
het mislukken van Camp David en na het provocerende bezoek van toenmalig
oppositieleider Ariel Sharon aan de Tempelberg in september 2000 - leek vrede
verder weg dan ooit. Het Israëlische antwoord was hard en militair. Een
vicieuze cirkel van aanslagen en represailles kwam op gang.